Uurwerken hebben een interessant verleden. Het allereerste hulpmiddel om de tijd van de dag aan te duiden was de zonnewijzer, uitgevonden door de Oude Egyptenaren en Mesopotamiërs. In de Middeleeuwen werd niet alleen de zandloper uitgevonden, die vooral aan boord van schepen werd gebruikt aangezien een precieze tijdsmeting cruciaal was voor navigatie op zee, maar deden ook mechanische klokken hun intrede.

Door Jan Hoek

Het oudste uurwerk dat gevonden is, stamt waarschijnlijk van voor 1386 en werd gevonden in Engeland; deze hangt nu aan de Kathedraal van Salisbury. Met behulp van tandwielen en gewichtjes kon men een klok met wijzers laten draaien en zo het verstrijken van de tijd aangeven. In die periode zien we in Europa een sterke opkomst van steden en daarmee samenhangend de opkomst van invloedrijke burgerij. Torenuurwerken gingen vanaf die tijd, aanvankelijk alleen in grote steden, het maatschappelijk leven beheersen. Zij gaven door middel van slagen op een klok, wijzerplaten bestonden nog niet, het halve of hele uur aan. De slagen werden aangewend voor onder andere het aangeven van de tijdstippen van het openen en sluiten van de stadspoorten, begin- en eindtijden van markten en de werkdag. Naast het grote maatschappelijke belang van de torenuurwerken heeft de verspreiding daarvan zeker bijgedragen dat het hebben van een torenuurwerk voor een stad statusverhogend was. Ook in de ogen van het Bergse stadsbestuur was een kostbaar torenuurwerk een statussymbool en het gelijklopen daarvan representeerde het goede bestuur van de stad. Dus kreeg in de 15e eeuw ook de kerktoren van de Geertruidskerk een bijzonder torenuurwerk. Het huidige torenuurwerk stamt uit 1539 en is vanaf oktober 2011 in anderhalf jaar tijd grondig gerestaureerd.

De Geertruidskerk is een voortzetting van een tufstenen kerkgebouw, dat dateerde van vóór 1200. Kort nadat in 1310 de parochiekerk tot collegiale kerk werd verheven, ving men aan met de bouw van het bakstenen godshuis. In fasen werd het gebouw tussen 1200 en 1540 uitgebreid en aangepast. Als eerste bouwde men in 1315 de massieve toren. Door het verloren gaan van de stadsarchieven in 1420 is het niet duidelijk of in deze toren al meteen een uurwerk werd geplaatst. In de oudst bewaard gebleven rekeningen van 1436 wordt melding gemaakt van betalingen aan uurwerksteller Philip Cuper. Deze functionaris was op kosten van de stad verantwoordelijk voor het dagelijks gelijkzetten van het torenuurwerk met de plaatselijke zonnetijd. Daarmee wordt wel duidelijk dat er in 1436 zich een uurwerk in de kerktoren bevindt. Ook in 1461 worden betalingen ten behoeve van het uurwerk gedaan. Of er in de genoemde jaren sprake is van een uurwerk dat alleen de uurslagen van de luidklok aanstuurde of dat er daadwerkelijk een wijzerplaat met uur-aanwijzing op de toren was aangebracht, is echter onduidelijk.

Urewercker

In 1534 bleek het uurwerk niet meer naar behoren te werken en werd een klokkenmaker uit Oosterhout gevraagd het uurwerk te repareren. Waarschijnlijk met weinig succes, want in 1537 wordt de befaamde uurwerkmaker meester Heyndrick Steymans, die tussen 1536 en 1550 in Turnhout het toen zeldzame beroep van ‘urewercker en horlogiemaecker’ uitoefende, door het stadsbestuur gevraagd om een nieuw uurwerk te vervaardigen. Om de klus in de toren te klaren, verbleef hij acht weken in Geertruidenberg. Hij wordt in die periode bijgestaan door plaatselijke ambachtslieden, onder andere voor het schilderen en vergulden van de wijzerplaat, het leveren van touw en een ton voor het aandrijfgewicht. Uiteindelijk wordt het uurwerk in 1539 in de toren geplaatst. In het midden bevindt zich de carillon- of speeltrommel, waarmee een melodie ten gehore gebracht wordt. De noten voor de speeltrommel, in de archiefstukken ‘rollekes’ genoemd, in totaal 207 stuks zijn door pater Antonis gemaakt. Het torenuurwerk mét carillontrommel van de Geertruidskerk gold als oudste van Nederland; helaas ontbreekt de oorspronkelijke speeltrommel.

Voorslag

Eveneens in 1537 kreeg klokkengieter Jasper Moer uit ’s-Hertogenbosch van het stadsbestuur de opdracht acht klokken te gieten ten behoeve van de ‘voorslag’, die moesten worden aangebracht in nieuwe torenuurwerk. Door omgevingslawaai of onoplettendheid kon de eerste van een aantal slagen worden gemist. Om dit te voorkomen kreeg de bevolking voordat de grote klok ging slaan, meerdere kleine klokjes te horen die gezamenlijk voor de zogenoemde ‘voorslag’ zorgden. Voor de klokkenmakers-familie Moer geen probleem, want ze waren wel grote opdrachten gewend. De in Keulen geboren Gobelinus Moer startte in 1452 in ’s-Hertogenbosch met de klokkengieterij; zijn werk werd later overgenomen door zijn zonen Willem en Jasper, die dat werk tot 1566 zouden blijven doen. Spraakmakende opdrachten zijn onder andere in 1507 het gieten van de 12.000 pond wegende Karolusklok voor de Kathedraal van Antwerpen, in 1515 de 6350 kg zware Servaasklok voor de Servaaskerk in Maastricht en zes op toon gegoten luidklokken, met een voorslag van vijf klokjes, voor de Abdij van Averbode. Maar voordat ze de opdracht kregen, ging een afgevaardigde van het Stadsbestuur eerst luisteren naar de vier of vijf voor de voorslag door familie Moer gegoten klokjes die in de Sint Petrus Banden-kerk in Hilvarenbeek hingen. Het resultaat was ongetwijfeld bevredigend, want ze kregen de opdracht.

Museale opstelling

Halverwege de 20e eeuw raakte het torenuurwerk van de Geertruidskerk in verval omdat het geen dienst meer deed. Verroest en incompleet stond het decennialang in de toren. In juli 1999 verrichtten leden van de Stichting tot Behoud van het Toren (SBT) een inspectie. Hun bevindingen waren weinig hoopgevend en de slotconclusie was dat het uurwerk, hoewel van zeer grote historische waarde, onherstelbaar beschadigd was. Alles veranderde in 2009 toen Gerard van de Korput, stadsgids in Geertruidenberg, het initiatief nam om met een aantal vakbekwame vrijwilligers het uurwerk te restaureren en ontbrekende onderdelen te reconstrueren. De gemeente Geertruidenberg, eigenaar van de toren, was niet eenvoudig te overtuigen, maar dankzij het doorzettingsvermogen van Van de Korput en Jan Mutsaers, toenmalig voorzitter van de Stichting Toerisme en Recreatie Geertruidenberg (STRG), gaf de gemeente uiteindelijk groen licht. Onder supervisie van Wim de Groot van de SBT werd door de vrijwilligers Gerard van de Korput, Gerard van Seeters, Piet Prinsen, Cees Reuser en Huub Bouwen gestart met de restauratie. Mijlpalen waren in oktober 2011 de demontage en verwijdering van het uurwerk uit de toren, november 2011 start schoonmaken en restauratie, februari 2012: het uurwerk tikt weer, april 2012: het slagwerk functioneert, december 2012: de carillontrommel draait, januari 2013 alle onderdelen in de toren teruggeplaatst en op 11 mei 2013, tijdens van viering van ‘Geertruidenberg 800 jaar stadsrechten’, de feestelijke overdracht aan de gemeente. Dankzij het doorzettingsvermogen van de museale opstelling in de toren van de Geertruidskerk krijgen bezoekers een duidelijk beeld van onder andere de werking van het uurwerk en het functioneren van de carillontrommel. Dan dienen wel zo'n 180 treden beklommen te worden.